Duits Grondwettelijk Hof torpedeert oprukkende EU

Eén van de vaste grappen van wijlen Oxford-historicus Norman Stone was zijn Stone’s Law: ‘niets in de geschiedenis is onvermijdelijk, behalve een Duitse tegenaanval’. Deze grap is in de EU nu metaforisch werkelijkheid geworden: op 5 mei jongstleden zette het Bundesverfassungsgericht, het Duitse Grondwettelijk Hof, een juridische artillerieaanval in tegen de oprukkende EU. Constitutionele mortieren verwoestten de twee centrale pilaren van de Europese constructie, het Europees Hof van Justitie en de Europese Centrale Bank (ECB). De voorgevel staat nog overeind, maar ook die kan ieder moment naar beneden donderen, samen met de rest van de EU.

Het Duitse hof

De rechters van het Grondwettelijk Hof in Karlsruhe deden een uitspraak over een beroep dat een aantal jaar geleden gedaan was door onder andere de Duitse, in Londen woonachtige advocaat Gunnar Beck, die nu Europarlementariër is voor het AfD. Deze uitspraak is de meest recente in een lange reeks uitspraken die teruggaan tot in de jaren ’90, toen een FDP-politicus een zaak indiende bij het Grondwettelijk Hof tegen het Verdrag van Maastricht. In al deze zaken is bepleit dat de Duitse soevereiniteit aan de kant geschoven wordt door de overdracht van bevoegdheden naar de EU. Dat gaat in tegen de Duitse grondwet: volkssoevereiniteit – de wortel van de Duitse democratie – vormt de grondslag van de Duitse grondwet. Die is opgesteld om, vanwege vanzelfsprekende historische redenen, te voorkomen dat de democratie in Duitsland via juridische methodes ondermijnd kan worden. De basisrechten van het Duitse volk, zoals het recht om haar eigen leiders te kiezen, maar vooral ook om controle te hebben over wie de daadwerkelijke macht heeft, worden niet alleen uitgesproken in de grondwet, maar zijn ook vastgemetseld in clausules die het onmogelijk maken deze rechten te veranderen.

Blaffen, niet bijten

Door de jaren heen hebben rechters met een opgeheven vingertje op deze zaken gereageerd. Ze gaven weliswaar toe dat de macht nooit aan democratische controle onttrokken mag worden, maar vonden ook dat overdracht van bevoegdheden naar de EU toegestaan is omdat de uiteindelijke macht bij (soevereine) staten ligt die Europese verdragen ondertekenen - en dat bovendien de omvang van de overgedragen bevoegdheden beperkt wordt door die verdragen. Het Hof heeft herhaaldelijk aangegeven dat de EU het recht niet heeft om haar eigen macht te bepalen en dat lidstaten soeverein blijven. (In EU-verdragen wordt hetzelfde beweerd: ze spreken het principe uit dat alle macht van de EU slechts verleend wordt door haar lidstaten.)

Deze redelijk principiële taal van het Duitse Grondwettelijk Hof heeft geleid tot interessante jurisprudentie, maar het Hof heeft nooit echt haar tanden laten zien. Het heeft altijd volgehouden dat alle overdracht van bevoegdheden in Europese verdragen, van Maastricht tot Lissabon, ondersteund wordt door de democratische instituties van de Duitse Bondsrepubliek.

Een unieke uitspraak

De uitspraak van 5 mei 2020 is anders. Karlsruhe heeft niet alleen de ECB bekritiseerd voor haar omvangrijke opkoopprogramma’s van staatsobligaties (in andere woorden: het kunstmatig subsidiëren van staatsschuld) maar ook het Europese Hof van Justitie omdat ze gefaald heeft de ECB hierop te controleren. Nooit eerder in de geschiedenis van de Europese integratie heeft een nationaal gerechtshof het Europese Hof van Justitie zo hard aangevallen. Karlsruhe heeft in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven dat het Europese Hof in Luxemburg haar mandaat te buiten is gegaan en ‘onbegrijpelijke’ en ‘willekeurige’ uitspraken heeft gedaan.

Dit is van belang, omdat sinds eind jaren ’50 en begin jaren ’60 het Europese Hof van Justitie haar plek heeft opgeëist als de enige rechtsprekende institutie in het EU-recht. Al die tijd golden haar uitspraken en beslissingen boven die van nationale gerechtshoven, inclusief grondwettelijke hoven. Het resultaat hiervan is dat de doctrine van het EU-recht nu boven nationale wetgeving staat. Dit is één van de belangrijkste manieren waarop de EU op een federale staat lijkt: er is geen enkele andere internationale organisatie die zelf wetten maakt. De uitspraak van het Duitse Grondwettelijk Hof maakt zo dus een - op zijn minst voorlopig - einde aan tientallen jaren van samenwerking tussen Karlsruhe en Luxemburg (de Duitse rechters zijn altijd voorzichtig geweest bij het openlijk omarmen van de Europese constructie omdat de Duitse grondwet ze opdraagt dit te doen). Het Hof trekt echter ook het allerbelangrijkste aspect van de Europese constructie in twijfel: de voorrang die EU-recht heeft op nationale wetgeving. Om deze reden werd de wet van Stone wederom bevestigd toen Ursula von der Leyen, de (Duitse) president van de Europese Commissie, op 10 mei aankondigde dat ze overwoog om Duitsland voor het Europese Hof van Justitie te slepen om de Duitse uitspraak te verwerpen.

De machtsuitbreiding van de ECB

De tweede pilaar die omver geschoten werd door het Hof in Karlsruhe is de ECB in Frankfurt, die het afgelopen decennium bestuurd werd door de Italiaan Mario Draghi, een man die door Gunnar Beck “Draghiavelli” genoemd wordt. Een Italiaan die de scepter zwaait over het Duitse monetair beleid was voor de Duitsers altijd een nachtmerrie: met Draghi werd die nachtmerrie werkelijkheid. Door het invoeren van de euro werd de Europese economie ernstig verstoord, wat leidde tot activabellen (met name vastgoedbellen) en vervolgens schuldencrises in vijf verschillende EU-lidstaten (Griekenland, Spanje, Portugal, Cyprus en Ierland). Uiteindelijk greep de ECB na de financiële crisis van 2008 in door middel van “quantitative easing”: het subsidiëren van de kosten voor landen die getroffen waren door de schuldencrisis om geld te kunnen lenen door middel van het opkopen van hun staatsschuld. Sinds 2015 werd er een biljoen euro aan staatsschuld opgekocht met “funny money”: geld dat door de ECB uit het niets gecreëerd werd. Dat is twee keer zoveel geld als de EU in deze periode in totaal gebudgetteerd had.

Het is lastig om een duidelijker overtreding van het principe van beperkte EU-macht te verzinnen dan dit - en dat is dus precies wat Karlsruhe nu veroordeeld heeft. Het Hof heeft de Bundesbank, de Duitse centrale bank, drie maanden de tijd gegeven om zelf met een verklaring te komen. Als de Bundesbank dat niet doet zal het Hof oordelen dat de centrale bank niet meer mee mag werken aan de quantitative easing. Een dergelijke uitspraak zou het monetaire equivalent zijn van de Duitse onderzeeboot die in 1915 de RMS Lusitania torpedeerde: de euro zal tot zinken gebracht worden.

Het einde van de euro?

De euro zal zinken omdat, als de Bundesbank niet deel kan nemen aan de quantitative easing, ruim 800 miljard euro aan extra uitgaven die de ECB beloofd heeft aan landen om de economische gevolgen van het coronavirus te mitigeren op losse poten komt te staan. Zowel Frankrijk als Italië snakken op dit moment naar de mogelijkheid om meer geld voor minder te kunnen lenen. Deze landen denken dat de oplossing voor een te hoge staatsschuld het aannemen van nog meer staatsschuld is – precies de manier waarop de euro al sinds 2008 aan de beademing ligt. Wanneer Duitsland de stekker uit de beademing trekt die de Europese economie al ruim tien jaar technisch gezien in leven houdt, komt de patiënt echter te overlijden. De Italiaanse overheid heeft al een plan klaarliggen om een parallelle nationale munteenheid in te voeren. Dat plan zou zomaar eens uitgevoerd kunnen worden: anti-EU-sentimenten zijn ten zuiden van de Alpen immers erg sterk.

Het zou ook kunnen dat de rechters in Karlsruhe doen wat ze altijd doen: stoer de troepen naar voren marcheren, maar ze uiteindelijk - als het gevaarlijk wordt - weer terugtrekken. Ze kunnen altijd een smoesje verzinnen om het huichelachtige EU-project toch door te laten schurken. Verantwoordelijke overheden, zeker die in het noorden van Europa die willen voorkomen dat toekomstige Europese generaties verdrinken in een nóg grotere zee aan schulden, moeten echter zorgen dat ze een plan B klaar hebben liggen voor als de smoesjes niet meer werken. In andere woorden: het is hoog tijd dat alle verantwoordelijke regeringsleiders zich voorbereiden op het mogelijke uiteenvallen van de monetaire unie, zodat ze in ieder geval weten wat hun landen moeten doen wanneer dat gebeurt.

John Laughland is filosoof, politiek analist en beleidsmedewerker voor FVD in Brussel.

Op de hoogte blijven?

Ontvang de wekelijkse mail van Thierry