Big Tech en de publieke ruimte

De opkomst van het internet in de tweede helft van de jaren ’90 werd gekenmerkt door een geest van vrijheid. Alles was mogelijk, alles was gratis en iedereen had toegang. De pioniers van het ‘vrije internet’ hadden een libertarische vrijplaats voor ogen, waar zonder hiërarchie en formele instituties alles met alles en iedereen verbonden was en vrije informatie-uitwisseling tussen burgers kon plaatsvinden.

In de VS werd in die jaren ‘Section 230’ aangenomen. Hiermee werd bepaald dat internet-service providers weliswaar juridisch niet konden worden aangesproken op de inhoud van hetgeen er op hun platform werd gezet door gebruikers (ze werden dus niet als ‘publishers’ beschouwd); maar waarin ze wél werden gestimuleerd om eigen standaarden te ontwikkelen en te onderhouden om ‘schadelijke’ content op hun platformen te weren.

Sindsdien zijn sociale media platformen enorm gegroeid en hebben miljarden dagelijkse gebruikers. Het verdienmodel van deze platforms bestaat voornamelijk uit advertentie-inkomsten. Daarom was het in kaart brengen van het gebruikersgedrag van meet af aan ook onderdeel van hun algoritmes. Hoe gerichter advertenties kunnen worden ingezet, hoe meer ze immers waard zijn. Inmiddels is bereik en belang van deze platformen zo groot dat zij een boodschapper, commercieel of anderszins, geheel kunnen maken of breken.

Het opstellen van concurrerende platformen is bijna onmogelijk. Doordat deze platformen jaren hebben kunnen bouwen aan intelligente gedragsmonitoring en aan gedragsturende algoritmen, bepaalt een beperkt aantal steenrijke Big Tech bedrijven nu als het ware de inhoud van de publieke informatieruimte en het opinieklimaat.

Maar social media-platformen zijn door hun semi-monopoliepositie niet zomaar meer private aanbieders, maar onderdeel van de publieke ruimte. Daarom is censuur er ongepast. Als een uiting niet wettelijk strafbaar is, mogen Big Tech-bedrijven die uiting voortaan niet langer verwijderen en de plaatser ervan niet straffen. Zo voorkomen we dat de vrijheid van meningsuiting en de bandbreedte van het publieke debat oneigenlijk worden ingeperkt.

Wij willen:

  • Openbaarheid van algoritmen die door social media platformen worden gebruikt.
  • Geen censuur van niet-strafbare uitingen. Big Tech-bedrijven mogen alleen strafbare uitingen modereren.
  • Adequate beroepsmogelijkheden voor content-aanbieders die door de platformen geweerd en/of benadeeld worden qua zichtbaarheid en/of ‘monetization’- mogelijkheden.
  • Ruime mogelijkheden voor alternatieve platformen.