35 154
Goedkeuring van de op 30 oktober 2016 te Brussel tot stand gekomen Brede Economische
en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar
lidstaten, anderzijds (Trb. 2017, 13)


35 155
Goedkeuring van de op 30 oktober 2016 te Brussel tot stand gekomen Strategische partnerschapsovereenkomst
tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Canada, anderzijds (Trb. 2016, 190)


Nr. 9
MOTIE VAN HET LID DIKS C.S.

Voorgesteld 13 februari 2020


De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in CETA getracht wordt brievenbusfirma's uit te sluiten van investeringsbescherming
via het ICS, en hiertoe de eis wordt gesteld dat investeerders «substantiële bedrijfsactiviteiten»
uitvoeren op het grondgebied van een van de verdragspartijen;


constaterende dat evenwel geen definitie is afgesproken van wat precies wordt gerekend
tot «substantiële bedrijfsactiviteiten»;


overwegende dat het van belang is dat misbruik van claimrecht door het openen van
een brievenbusfirma zo streng mogelijk moet worden aangepakt;


verzoekt de regering, bij de Europese Commissie aan te dringen op het spoedig tot
stand brengen en formaliseren van een definitie van «substantiële bedrijfsactiviteiten»,
zodat brievenbusfirma's in woord en daad worden uitgesloten van investeringsbescherming
onder CETA,


en gaat over tot de orde van de dag.


Diks
Van Kooten-Arissen
Ouwehand