34 763
Wijziging van de Opiumwet (verruiming sluitingsbevoegdheid)


Nr. 7
AMENDEMENT VAN HET LID HELDER 

Ontvangen 11 april 2018

Ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I wordt de aanhef vervangen door «De Opiumwet wordt als volgt gewijzigd:

A
Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:


Artikel 5a

Het is verboden om stoffen, niet zijnde middelen als bedoeld in Lijst I of II, ten
aanzien waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan
voor het vervaardigen van een middel als bedoeld in Lijst I of II, binnen of buiten
het grondgebied van Nederland te brengen, te vervaardigen, te bewerken of aanwezig
te hebben.





B
In artikel 6, eerste lid, wordt «artikel 2 of 3» vervangen door «artikel 2, 3 of 5a».


C
Artikel 13b, eerste lid, komt te luiden:».


Toelichting

In de Opiumwet wordt gewerkt met twee lijsten drugs. Op lijst I staan drugs met een
onaanvaardbaar risico (zoals cocaïne, amfetamine, XTC, heroïne en LSD). Op lijst II
staat de hennepplant waar hasj en wiet van gemaakt wordt. Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen middelen aan de genoemde lijsten worden toegevoegd.

Naast de «klassieke» drugs bestaan de zogenoemde Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS),
die in de volksmond ook wel «designer drugs» worden genoemd. Deze synthetische drugs
hebben hetzelfde effect als de klassieke drugs. NPS-en staan echter niet vermeld op
de bij de Opiumwet behorende lijst I of lijst II en zijn dan ook niet via deze weg
strafbaar.

De synthetische drugs zijn om twee redenen een gevaar voor de maatschappij. Ten eerste
is er een gevaar voor de volksgezondheid, omdat onduidelijk is wat de precieze samenstelling
van de pil of het poeder is. Ten tweede wordt in de criminele praktijk grof geld verdiend
met de productie van en de handel in synthetische drugs.


Het is dan ook noodzakelijk dat in een zo vroeg mogelijk stadium tegen het vervaardigen,
bewerken of aanwezig hebben en/of het handelen in (pre) precursoren kan worden opgetreden
en niet hoeft te worden afgewacht tot een nader omschreven stof op de lijst van de
Opiumwet of andere relevante wetgeving is opgenomen wanneer gelet op de omstandigheden
waarin de betreffende stof wordt aangetroffen redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat deze is bedoeld om Lijst I- of lijst II-middelen te vervaardigen.

Als voorbeeld wordt genoemd de hoeveelheid waarin de stof wordt aangetroffen en de
locatie waar de stof wordt aangetroffen.


Het probleem is momenteel dat (pre) precursoren bedoeld voor de vervaardiging van
synthetische drugs dan wel verdovende middelen nu via een (te) lange weg strafbaar
worden gesteld op grond van de Opiumwet dan wel de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.
Dit maakt het snel en adequaat inspelen op nieuwe stoffen die gebruikt worden onmogelijk.

Het huidige artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet voorziet weliswaar in de mogelijkheid
voor de Minister om een middel onverwijld te verbieden, waarbij de totstandkoming
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste of tweede lid niet
kan worden afgewacht. Daarbij gelden echter twee cumulatieve voorwaarden: 1. het middel
moet daartoe bij ministeriële regeling worden aangewezen en 2. tegelijk met de vaststelling
van deze ministeriële regeling moet het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur
met dezelfde inhoud ter beoordeling aan de ministerraad worden aangeboden. Deze procedure
vergt echter teveel tijd met als gevolg dat dan weer een nieuw, bijna gelijkend middel,
is gevonden dat als bestanddeel voor een synthetische drug kan dienen. Dit zogenoemde
kat- en muisspel is met genoemd wetsartikel dan ook niet te winnen.

De uitbreiding van de Opiumwet met deze vangnetbepaling heeft als doel de juridische
kansen voor de opsporing en de vervolging op grond van de Opiumwet voor de praktijk
te vergroten.

Helder